dinsdag 6 april 2010

Het verhaal van Dima

Het verhaal van Dima

"Die onzekerheid, vele malen per dag, is slopend."

Dima is een 32-jarige man uit Tjetjeniƫ. Moeizaam sleept hij zich de trap op naar de vijfde verdieping van het gebouw waar we hebben afgesproken.
“Ik heb helemaal geen conditie!” roept hij vertwijfeld uit. Die verlies je ook wel als je maandenlang bijna geen bewegingsvrijheid hebt.

Dima heeft zeven maanden gevangen gezeten op een van de bajesboten die ligt aan de Merwehaven in Rotterdam. Hij deelde zijn cel met drie andere mannen. Niet telkens dezelfde drie uiteraard: op de bajesboten is het een komen en gaan, maar vooral een lang blijven. Er is geen inspraak over wie in welke cel geplaatst wordt, dientengevolge zit je meestal samen met mannen wiens taal je niet spreekt.
Om 17.00 u wordt er geteld, de mannen moeten hun cel in, de deur gaat op slot tot de volgende ochtend 7.30 u (?). Er is een klein televisietoestel aanwezig, maar wie bepaalt waarnaar gekeken wordt, en tot hoe laat?

Van enige vorm van privacy is geen sprake. Overdag kun je je vrij bewegen over de afdeling: zitten in de recreatieruimte, in de cel en je kunt over de gang lopen. De gangen zijn laag, smal en bedompt. De recreatieruimte deel je met de 59 andere mannen van je afdeling – er staan een stuk of twaalf stoelen, er liggen wat boeken, er ligt een enkel spel dat zelfs op het einde van een vrijmarkt onverkoopbaar zouden zijn, gezien de uiterlijke staat.

Mensch erger je niet – een bijna onmogelijk advies om op te volgen als je gedetineerd bent op de bajesboot. Ook aanwezig in de recreatieruimte: twee telefoons, met een plastic kap als zogenaamde geluidsisolatie. Voor het broodnodige contact met familie en vrienden, en voor het minstens zo broodnodige contact met de advocaat. Per week ontvang je 7,50 euro zakgeld (iets verdienen kan niet), een telefoonkaart kost 5 euro.

Lezer, probeer zelf eens te bellen met een advocaat: die zijn heel vaak in bespreking! Terugbellen kan, maar kost geld. Niemand kan gedetineerden op de bajesboot telefonisch bereiken, alle telefoonkosten worden door de gevangenen gemaakt.

Eenmaal per dag, gedurende een uur kun je luchten: in een kooi. Zonder enige beschutting voor de zon of de regen, geen afdak aanwezig, kun je rechthoekjes lopen of op de betonnen grond zitten. Als een beest. Alhoewel, die hebben het beter, in diergaarde Blijdorp woont ieder dier in zijn eigen biotoop.
Kennelijk vindt justitie dat de biotoop van vreemdelingen zonder papieren gevormd wordt door een kale kooiconstructie met een betonnen vloer, zonder uitzicht: zogenaamd omdat de gevangenen hun privacy moeten hebben zijn de kooien ingepakt met ondoorzichtig grijs en groen materiaal. Waar hier en daar een gat in gemaakt is, zodat er naar buiten gekeken kan worden: uitzicht op een parkeerterrein en op Rotterdams trots: de havenindustrie.

De boten liggen weliswaar aangemeerd maar ze moeten wel kunnen varen; daarom laat men regelmatig de machinerie lopen, wat de mannen merken aan het lawaai en het trillen van de motoren.
Ook 's nachts wordt proefgedraaid.

Om toch alleen te kunnen zijn gaan mensen wat uithalen waardoor ze gestraft worden met isolatie. Ze moeten in de isolatiecel een soort jurk van papier aan, er ligt alleen een plastic matras op de vloer.
Het is er benauwd, waardoor je aan die matras blijft kleven. Er is niets te doen, niets te lezen. Dima zat 1 x 7 dagen in zo'n cel en 1 x 10 dagen.

Dina, een voormalig student diergeneeskunde, maakte van de nood een deugd en leerde een beetje Arabisch schrijven, lezen, spreken. Je moet wat, en dit is haalbaar. Zelfs als je ter plekke gemaakte vriend van de ene op de andere dag verdwijnt, komt er wel binnen afzienbare tijd een andere Arabisch sprekende man op de afdeling.

Regelmatig komen er ex-criminele vreemdelingen op de boot. Uit wat die uit eigen ervaring vertellen kan iedereen opmaken dat het leven in een normale gevangenis vele malen beter geregeld is.
Daar is fitness, een bibliotheek, je kunt er werken. Op de boten is niks. Je hebt er niets anders te doen dan rond te hangen, met z'n zestigen per afdeling. Criminelen hebben het alleen al beter doordat ze weten waar ze aan toe zijn: zoveel maanden, zoveel jaar nog – hoe lang ook, je kunt aftellen, je erop instellen. De mannen op de boten weten niets. Hoe lang zal het duren? En wat daarna?

Velen krijgen geen bezoek – ze voelen zich uitgekotst door iedereen, niets waard – nietswaardig. Alsof ze niet mogen bestaan. Als er buiten een actie plaats vindt worden ze heel blij. Ze leven daarop, ze hopen daarop. Mensen die buiten staan en het voor hen opnemen! Die aan hen denken! Met ze meeleven!
De bewakers proberen acties voor hen verborgen te houden, maar ze komen er wel achter. Proberen geluiden te maken – het interesseert ze niet dat ze daarvoor de isoleercel ingaan – dat gebeurt toch sowieso wel regelmatig, soms om iets heel kleins. Na een actie kunnen de gevangenen er weer een tijdje tegen. Ze voelen zich gesterkt.

Dima vertelt wat hij het ergst vond van zijn verblijf op de boot:
Je zit daar met zestig man in de recreatieruimte, dan komt er een extra bewaker of twee om iemand op te halen. Iedereen houdt de adem in en denkt:
Zou ik vrij komen? Wie gaat hij meenemen?
De bewaker zegt: 'Meneer die en die, komt u mee?'

Wat zou er met hem gebeuren? Komt hij vrij? Of is het iets anders: bezoek van de advocaat, naar de dokter, naar het winkeltje? En dan: stel ik moet al mijn bezittingen uit mijn cel halen – dan nog: kom ik vrij, of verhuis ik naar een andere gevangenis? Die onzekerheid, vele malen per dag, is slopend.
 
Janneke van Beek,
6 april 2010
Namen gefingeerd om redenen van privacy en veiligheid van betrokkenen

Geen opmerkingen:

Een reactie posten